Baklava is het pronkstuk van de Ottomaanse zoetwarenkeuken: tientallen flinterdunne vellen filodeeg, laag voor laag beboterd, met daartussen fijngehakte pistache en walnoot. Na het bakken wordt het gebak doordrenkt met een siroop van suiker en honing. Het geheim van knapperige baklava: giet koude siroop over heet gebak (of andersom), nooit warm op warm.
Bereiding
- 1
Maal de pistaches en walnoten grof in een keukenmachine, laat wat stukjes voor de beet, en meng met de kaneel. Houd een handje fijngehakte pistache apart voor de garnering.
- 2
Verwarm de oven voor op 170 °C. Bestrijk een ovenschaal (±20×30 cm) met gesmolten boter.
- 3
Leg ongeveer acht vellen filodeeg in de schaal, elk vel licht ingesmeerd met boter. Strooi een derde van het notenmengsel erover.
- 4
Herhaal: telkens 4–5 beboterde vellen, dan noten, tot het notenmengsel op is. Sluit af met nog eens acht beboterde vellen.
- 5
Snijd de baklava met een scherp mes in ruiten of vierkanten, dit moet vóór het bakken, anders breekt het filodeeg.
- 6
Bak 35–40 minuten tot goudbruin en knapperig.
- 7
Kook intussen de suiker, het water, de honing en het citroensap 8–10 minuten tot een lichte siroop. Laat afkoelen.
- 8
Giet de afgekoelde siroop gelijkmatig over de hete baklava. Bestrooi met de achtergehouden pistache en laat minimaal 3 uur intrekken voor je serveert.
Tips
- Houd filodeeg onder een vochtige theedoek; het droogt razendsnel uit en scheurt dan.
- Koude siroop op heet gebak houdt de lagen knapperig, warm op warm maakt het klef.
- Een vleugje rozen- of oranjebloesemwater in de siroop geeft een authentieke toets.





